Closed meeting, ZO 20/03/2011

Patrick Allegaert

Patrick Allegaert, artistiek leider van het Museum Dr. Guislain te Gent, schetste een overzicht van de relatie tussen enerzijds beelden die getuigen van de innerlijke pijn en de emotionele kwetsuren van de makers ervan en anderzijds de perceptie van deze beelden en hun makers door de wereld van Kunst en Cultuur. Die relatie lag jarenlang erg moeilijk, outsiderkunst werd buitengesloten en kreeg in de jaren 30 tot ’45 een wrang politiek aspect tot de cobrabeweging de kracht opzocht die deze kunst bezat.

Het huidige museum maakt deel uit van een complex dat in 1857 werd voltooid als het Hospice pour Hommes aliénés (vervreemde mannen). Professor Joseph Guislain (1797-1860) tekende het uit. Hij is een van de voorlopers van de moderne psychiatrie en een van de eersten in ons land die de krankzinnigheid benadert als een ziekte die kan worden behandeld. Moral treatment is een begrip dat uit Engeland kwam. De psychologische behandeling en therapeutische benadering bestond uit het opleggen van een vrij strikte regelmaat ’omdat er al voldoende chaos in het hoofd van de patiënt was’. Kunst is een zoektocht, meende Guislain, en dus een afrader voor troebele geesten. Enkel simpele melodieën mochten worden gespeeld of er zou schade aan deze mensen worden berokkend.

De uitspraken van artsen over kunststrekkingen in het algemeen waren overigens negatief, zeker over avant-garde en impressionisten. ‘Zijn ze wel bij hoofde?’ werd er gevraagd, onderverstaan ‘als ze zo schilderen!’

Het museum bezit een uitgebreide vaste collectie over de geschiedenis van de psychiatrie tot de jaren ’60. In verschillende zalen is te zien hoe het er vroeger aan toe ging: van het leven in het psychiatrisch instituut tot de behandeling met elektroshocks. De art brut is een belangrijk onderdeel van de collectie.

Het Guislainmuseum organiseert tijdelijke tentoonstellingen, alhoewel dat dubbel aanvoelt. Private beelden van mensen in een emotionele toestand, beelden die je voor jezelf wil houden, worden openbaar gemaakt. In 2009 organiseert het museum zelfs een tentoonstelling over het tentoonstellen van mensen. De Tentoongestelde Mens. Andere culturen als amusement, bevat beelden van de Wereldtentoonstelling van 1913, toen een Senegalees dorp met bewoners aan de Gentenaars werd getoond. Het spel van de waanzin verkent de gespeelde gekte door actrices in filmfragmenten  en op foto’s. Ze beelden in de plaats van zieken extase uit omdat je toen heel lang moest kunnen stilzitten wanneer een foto werd gemaakt.

In 1921 werd voor het eerst aandacht geschonken aan de kunst van patiënten. In Ein Geisteskranker als Künstler werd het werk van Adolf Wölfli ­ (1864-1930)  door zijn arts Walter Morgenthaler gepubliceerd. Wölfli was een gevaarlijke psychopaat met pedofiele trekken. Zijn arts merkte dat hij graag met pen en papier bezig was en liet toe dat hij een gigantisch oeuvre creëerde. Documenta 5 (1972) zou zelfs een volledige zaal aan zijn werk wijden om hedendaagse kunstenaars te laten kennismaken met zijn werk.

Kunsthistoricus en psychiater Hans Prinzhorn (1886-1933) bracht in de jaren twintig van de vorige eeuw een indrukwekkende verzameling bijeen van werk gemaakt door psychiatrische patiënten. Hij had aandacht voor de therapeutische maar zeker ook esthetische waarde van de werken.

De geschiedenis van de outsidercollectie is zwaar beladen: in de tentoonstelling Entartete Kunst  (1933-1945) werd werk van kunstenaars vergeleken met het werk van psychiatrische patiënten. Iedereen moest deze reizende expositie bezoeken en het erover eens zijn: ‘allemaal zot’.

Werk werd door artsen puur vanuit een medisch standpunt verzameld, maar kunstenaar Jean Dubuffet was zowel collectioneur als kunstenaar, hij behoorde tot de artistieke avant-garde, tot de tegencultuur. Hij wilde een stem geven aan wie geen stem had en opgesloten zat in een gesticht.

De arts ziet de klacht, maar het museum beklemtoont de artistieke en beeldende kracht. Een persoon is niet te herleiden tot zijn kwetsuur. Een voorbeeld hiervan is Willem Van Genk. De man had negen zussen en voldeed niet aan de hoge verwachtingen die zijn vader had. Hij tekende als kind liever dan hij leerde en kreeg van jongsaf het label ‘moeilijk opvoedbaar’. Hij werd een autididact kunstenaar, veel van zijn werk ging over transport. Hij volgde een tijdlang les in de Koninklijke Academie in den Haag. Directeur J. Beljon onderkende direct de kwaliteit van zijn werk, maar realiseerde zich dat lessen niet aan hem besteed waren. Hij mocht zijn eigen gang gaan van de academie, maar zijn behandelende geneesheer verzette zich hiertegen. Zelfs in de jaren 60 was er in de psychiatrie nog weinig openheid voor de indrukken van anderen over een patiënt en werd er nog gereageerd met een ‘Wij weten wat best voor hem is’.

Zijn werk trok de aandacht: er werd een tv-documentaire over gemaakt en hij kreeg een tentoonstelling, maar dit verontrustte hem en hij haalde zijn werk meteen weer weg. Hij wilde niet dat er inzage in was; hij maakte dit voor zich, het was zíjn universum. In Van Genks kunst staat macht als centraal thema, maar met een bijzondere esthetiek. Hij had een maniakale fascinatie voor optochten, voertuigen en machtssymbolen en voorzag zich van zelfverzonnen eretitels als ‘Koning der stations’ en ‘Conducteur van alle Trolleybussen’. Hij sprak weinig over zijn complexe werken van wegknippen en bijplakken. Trolleybussenstation, is een werk op een plank bovenop de boeken van zijn vader. Erboven hangt een collectie regenjassen aan kapstokken, waar hij extra knopen aan had genaaid. Hij noemde de jassen ‘dameslingerie in mannentaal’. Daar gaat kwetsbaarheid van uit, vandaar de extra knopen die hij eraan naaide. Ze zijn maar één keer bruikbaar. Op latere leeftijd veranderde hij van mening en was hij gelukkig met de permanente tentoonstelling van zijn werk.

Gerard Van Lankfeld bouwde in zijn woning en tuin het keizerrijk Monera Carkos Vlado, als een schuilplaats voor de wereld van buitenaf. Hij kroonde zichzelf tot keizer en maakte een kroon, ontwierp een postzegel, een vlag, eigen geld en een volkslied.

De eigen wereld van Gerard van Lankveld ontstond doordat hij als vijftienjarige 'stom en gek' verklaard werd door leeftijdgenoten, die hem voortdurend pestten. Hij ontsnapte naar een eigen wereld. Hij bouwde vliegtuigen en een duikboot. Zijn kunst ontstond uit agressie. Hij pronkte met wat hij had gemaakt en ging met zijn voorwerpen voor het huis staan van een jongen die hem ooit bespotte om hem op die manier van repliek te dienen.

Hij is nu bejaard en milder en is in zijn dorp een gevierde persoonlijkheid. Er tekende zich een belangrijke evolutie in de relatie van zijn eigen koninkrijk en de buitenwereld , bijvoorbeeld toen hij door het vijandige koninkrijk der Nederlanden moest reizen voor de ontvangst te Gent door de toenmalige burgemeester nav de tentoonstelling in het Guislainmuseum.

Dezelfde evolutie is te zien bij Arturo Tosi die leed aan een alcoholverslaving. Na zijn verslaving werd hij een brave klassieker, zelfs lokaal bekend. Zijn eerste werken waren getormenteerd, maar werden door zijn familie verborgen gehouden. Zijn kleinzoon herontdekte ze en de kunstwereld aanvaardt ze.

Uit de uiteenlopende voorbeelden die werden aangehaald moet men besluiten dat outsiderkunst niet langer kan beschouwd worden als 100 % spontaneïteit. Ze getuigt van een authentieke scheppingskracht, maar is tegelijk ook gecodeerd door haar tijd.

 

 

 

Copyright © 2010 DAVID vzw. Alle rechten voorbehouden